1861

1861

Een commissie heeft het noordelijk geprojecteerde traject tussen Harlingen en Leeuwarden vergeleken met een zuidelijke variant en heeft nu voorkeur voor de laatste. Nabij Franeker zou dan een bocht moeten komen, om deze stad te zo veel mogelijk te naderen.

Men beargumenteerde de keuze voor de zuidelijke variant het als volgt:

= Bij Harlingen zou een nieuwe kostbare buitenhaven moeten worden aangelegd. De huidige zou te klein worden geacht.

= Bij Leeuwarden is de meeste bedrijvigheid in het zuiden van de stad en verder zou een latere lijn naar Heerenveen om de stad moeten worden aangelegd (bij de noordelijke variant).

Verder heeft de Commissie al vast een globaal onderzoek ingesteld op het beoogde traject van Leeuwarden naar Veenwouden. Een voorstel hierover wordt aangekondigd. Wanneer dat voorstel wordt goedgekeurd en de andere werkzaamheden van de lijn Harlingen-Leeuwarden zover gevorderd zijn, dat over het personeel beschikt kan worden, zal ook met de opmetingen van deze lijn worden begonnen.
In september beginnen de onteigeningsgesprekken voor de gronden, nodig voor de lijn Harlingen-Leeuwarden. Men ondervindt weinig problemen. De verwachting is dat een onteigeningswet niet nodig is.
In november wordt een begin gemaakt met de uitbakening van de lijn. In december wordt de aanbesteding aangekondigd van het doen van grondwerk te Harlingen. Er zijn 6 inschrijvingen binnengekomen. De laagste inschrijver was A.B. van Tienhoven, te Werkendam voor f 27.800,-.
Op 2 december 1861 heeft de commissie een route voorgesteld voor de spoorweg Leeuwarden-Groningen aan Gedeputeerde Staten van Groningen en Friesland. Behoudens enkele kleine zaken, stemt men hiermee in.

StationHarlingen.jpg

Station Harlingen