Niet gerealiseerde plannen

Tramlijn Drachten-Suameer-Leeuwarden en een zijlijn door de Trijnwouden.

(klik op de kaartjes voor vergroting)

Meteen al na het tot stand komen van de stoomtramlijn tussen Drachten en Bergumerdam in juni 1896, gaan de gedachten bij de N.T.M. uit naar de aanleg van een stoomtramlijn tussen Drachten en Leeuwarden. Een nauwkeurig tracé valt nog niet goed aan te geven. De N.T.M. denkt aan een tramlijn die ergens vlakbij Suameer begint en vervolgens ten noorden van Garijp, langs Suawoude naar Tietjerk gaat. Daar kruist de tramlijn de spoorlijn om in Leeuwarden langs Schildkampen, over de ‘nieuwe bouwterreinen’, bij het station Staatsspoor te eindigen.

 

 

De Kamer van Koophandel te Leeuwarden stelt een ander traject voor. In verband met een groter aantal inwoners dat bereikt wordt, denkt de Kamer aan een lijn vanaf Suameer of Nijega, over Wartena, Warga, Wirdum (of Goutum) naar Leeuwarden.

In de zomer van 1897 verleent de gemeente Leeuwarden aan de N.T.M. concessie om een stoomtramlijn aan te leggen, vanaf het station Staatsspoor in Leeuwarden, in directe verbinding met de tramlijn Drachten-Veenwouden.  Niet lang daarna begint in de gemeenteraad van Leeuwarden een discussie over het tracé van de lijn door en bij Leeuwarden. Naast het rechtstreekse tracé naar Suameer in zuidoostelijke richting, komt ook een oostelijke variant ter sprake: een lijn langs de Groningerstraatweg naar Hardegarijp, om bij Quatrebras aan te sluiten op de tramlijn Drachten-Veenwouden.

 

 

In maart 1906 meldt de N.T.M. de gemeente Tietjerksteradeel per brief dat ze voornemens is een stoomtramlijn van Suameer naar Leeuwarden aan te leggen. Op een bijgevoegd kaartje staat het tracé (de rode lijn op het kaartje hiernaast) van de lijn door Bergum aangegeven: vanaf de Bergumerdam noordwestwaarts naar en langs de Gaestmabuorren. 

Quatrebras komt in deze plannen niet meer voor.

In juni 1906 komt de subsidieaanvraag van de N.T.M. tijdens de vergadering van Gedeputeerde Staten in behandeling. Gedeputeerde Staten achten een tramverbinding tussen Leeuwarden en Drachten van groot belang. De Staten en de N.T.M. zijn er nu wel uit. Voorstel is dat er subsidie wordt gegeven voor de volledige ombouw van het Demerbesysteem naar Vignolasysteem en voor de aanleg van genoemde lijn. Over het nieuwe tracé is men het ook eens: van Suameer, langs Bergum, Hardegarijpsterhoek (hoek Zomerweg-Commissieweg, de locatie van de voormalige herberg ‘Huis ter Heide’) naar Hardegarijp. Verder langs de Groningerstraatweg tot Leeuwarden (Oude Tolhuis) en vandaar op eigen baan (dus niet door het centrum) naar de Tweede Kanaalsbrug en station Staatsspoor Leeuwarden. Een totale lengte van 19 km wordt gesubsidieerd met een bedrag van f 4.000,- per kilometer. 
In juli 1906 wordt door de Provincie Friesland een renteloos voorschot van f 324.500,- verstrekt. De Hardegarijpsterhoek wordt uit het voorstel geschrapt, dus toch weer over Quatrebras?

 

Daarna is het een komen en gaan van tracévoorstellen. Als in 1913 wordt besloten de tramverbinding tussen Leeuwarden en Drachten tussen Veenwouden en Leeuwarden over de bestaande spoorlijn te leiden, is een eigen trambaan voorlopig niet meer aan de orde en richt men zijn pijlen op een nieuw te ontwikkelen tramlijn door de Trijnwouden (Trynwâlden). Dat is vooral het geval in 1915.
De NTM stelt een lijn van Leeuwarden over Lekkum naar Dokkum voor (groene lijn). Ene 'L' in de Leeuwarder Courant komt met een voorstel van een lijn dwars door de Trijnwouden (rode lijn), die aansluit op een nog aan te leggen lijn langs de Rijksstraatweg tussen Leeuwarden en Quatrebras. De Commissie Openbare Werken komt met een vergelijkbaar voorstel, aangegeven met een roze lijn.

In 1916 wordt het weer anders met de lijn van Leeuwarden naar Drachten. De N.T.M. besluit de tramlijn van Leeuwarden naar Quatrebras alsnog aan te leggen en stuurt een kaart aan de gemeente Tietjerksteradeel waarop deze lijn staat aangegeven.  Burgemeester en Wethouders gaan akkoord. Pas in 1918 liggen de officiële besluiten bij de gemeente(n) ter inzage. Men krijgt de gelegenheid bezwaren indienen en daarvan maken enkele bewoners van Tietjerksteradeel gebruik. Ze zijn tegen het nieuwe tracé door de weilanden. Ten opzichte van een eerder gepland tracé langs de Zomerweg biedt het voor hen veel nadeel. De gemeenteraad legt de bezwaren terzijde. Motivatie: op elk tracé komen wel bezwaren. Het lijkt daarna voorspoedig te gaan. Een wet die de tramlijn aanwijst als zijnde ‘van algemeen nut’ wordt in 1919 aangenomen waarmee de weg vrijkomt tot het onteigenen van gronden voor de aanleg.

klik op de afbeelding voor een vergroting

Daarna blijft het stil, mogelijk door de opkomst van het passagiersvervoer met de autobus. Als in 1922 de gemeente Leeuwarden te kennen geeft het tramverkeer buiten Leeuwarden (centrum) om te willen leiden, is de N.T.M. er als de kippen bij. Er wordt een overeenkomst gesloten waarbij de N.T.M. zich verplicht het tramverkeer binnen 5 jaar buiten de stad te brengen, waarbij de gemeente afziet van de tramverbinding met Quatrebras en daarmee ook van de halte bij herberg ‘De Bleek’. In 1928 blijkt dat er nog f 100.000,- op de plank te liggen bij de Provincie, een niet uitbetaald deel van een renteloos voorschot uit 1906 . Het wordt alsnog aan de N.T.M. uitbetaald. Daarna blijft het voorgoed stil. De zaak verdwijnt in de archieven en de tramverbinding (op eigen baan) tussen Suameer en Leeuwarden komt na ruim 32 jaar discussiëren en plannen maken eindelijk niet tot stand.

Tramlijn Bergum-Surhuisterveen-Aduard.

Vanuit Tietjerksteradeel is de aandacht op aan te leggen tramlijnen steeds zuidwaarts (Drachten), westwaarts (Leeuwarden) en noordwaarts (Dokkum) gericht. In 1917 komt ook het oosten in de belangstelling. Het gerucht gaat dat de gemeente Tietjerksteradeel wil meewerken aan een tramlijn vanaf Bergum, over Surhuisterveen, Grootegast en Oldekerk naar Zuidhorn. De burgemeesters van de betrokken gemeenten benaderen de directeur van de N.T.M. maar die wil pas in gesprek gaan als bekend is hoe de Minister van Waterstaat er over denkt. Begin mei 1918 hebben enkele comités tot aanleg van de tramlijn zich verenigd in het Friesch-Groningsch Tramweg Comité. Het comité zet zich in voor twee tramlijnen, waarvan die van Veenwouden, over Kooten, Surhuisterveen en Grootegast naar Zuidhorn voor Tietjerksteradeel van belang is. 

De N.T.M. heeft een voorstel:  ten noorden van Bergum vanaf ‘Huis ter Heide’ langs de Zomerweg en dan schuin naar Eestrum om vervolgens via een zandweg in de richting van Kooten (Kootstertille) de gemeente te verlaten (op kaartje in rood aangegeven). Er is ook gekeken naar een route zuidelijk langs het Bergumermeer via Oostermeer (op kaartje in geel aangegeven). De N.T.M. vindt deze route minder voordelig en ziet ook ‘technische’ problemen, namelijk de doorgang door Oostermeer.
De gemeente besluit voor de route ten noorden langs het Bergumermeer te kiezen en f 500,- bij te dragen in de kosten van voorbereiding. Tevens wordt er jaarlijks een bijdrage van f 50,- aan het comité verstrekt.
De Eerste Wereldoorlog goed roet in het eten. De prijzen voor materiaal rijzen de pan uit. 

Als deze prijzen in 1921 gaan dalen, denkt de burgemeester van Kollumerland dat de kans op de tramlijn Bergum-Audard weer groter wordt. Hij verwacht dat het Friesch-Groningsch Tram Comité binnenkort weer in actie komt. Of dat zo is, valt te betwijfelen, want begin 1922 besluit het comité de f 50,- die door de gemeente Tietjerksteradeel is betaald voor het jaar 1920, terug te storten en voor 1921 helemaal niets te vragen.

Pas in juli 1922 laat het comité weer van zich horen. De N.T.M. heeft de lijnen Hardegarijp-Groningen en Bergum-Aduard geheel in kaart gebracht en heeft verder alles uitgewerkt. 

In augustus 1923 laat de Minister van Waterstaat weten niet in te stemmen met een verzoek om subsidie inzake de aanlegkosten. Dit mede omdat, volgens de Minister, de beide provinciale besturen een afwijzende houding hebben aangenomen. Omtrent de medewerking van de gemeenten en anderen staat zeer weinig vast. Het verzoek wordt afgewezen en daarmee staat vast dat de tramplannen niet gerealiseerd kunnen worden.

En zoals in het jaarverslag van 1923 van het Friesch-Groningsch Tramweg Comité valt te lezen: het Bestuur is betere tijden afwachtende, maar hoopt toegewijd te blijven. Ook de lijne Bergum-Aduard is nooit aangelegd.