1845-1846

1845

In april worden door de heer Staatsraad Gouverneur voorstellen gedaan voor de aanleg van de spoorlijnen Zwolle-Leeuwarden en Harlingen-Leeuwarden, waarna in mei de heren Gouverneurs (tegenwoordig worden zij Commissaris der Koning genoemd) van de provincies Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel in Assen samen komen om hierover van gedachten te wisselen. Men komt tot een voorlopige vaststelling van de 'vaste punten' (steden) waarlangs de noordelijke spoorlijnen moeten gaan lopen:
a. Zwolle-Meppel-Steenwijk-Leeuwarden, met zijlijnen naar Harlingen en Groningen;
b. Meppel-Assen-Groningen, met een zijlijn naar de Duitse grens.

Eind 1845 verleent Z.M. de Koning Willem II aan de S.H. Balkema en Comp. concessie tot de aanleg van de lijn Zwolle-Groningen.

 

Koning Willem II

De Stoompost
(klik op de afbeelding voor een vergroting)

1846

In maart doen geruchten de ronde dat er concessie is aangevraagd voor de spoorlijn door Friesland. Volgens het blad "de Stoompost" zou de lijn gaan lopen van Meppel, over Heerenveen naar Leeuwarden.

Vanuit de gemeenten Smallingerland (Drachten) en Ooststellingwerf (Oosterwolde-Fr) komt meteen een reactie. Men ziet de bui hangen en stelt voor de lijn vanuit Meppel meer oostelijk aan te leggen, over Olderbekoop, Gorredijk, Beetsterzwaag en Drachten naar Bergum, waar de lijn dan aansluit op de spoorlijn Leeuwarden-Groningen.

In mei komt ingenieur Conrad van het Ministerie van Waterstaat naar Friesland en Groningen om het terrein op te nemen waarover de spoorlijnen worden aangelegd. 

In juni leest men in 'De Stoompost' dat concessie is verleend aan A.J. Haages en J.G. der Kinderen, voor een spoorlijn van Harlingen, over Leeuwarden naar Groningen. Ook voor de zijlijn van Leeuwarden naar Meppel zouden de heren een concessie hebben gekregen.