Spoorwegongevallen

Ook op het betrekkelijk korte traject van de spoorlijn Leeuwarden-Groningen door de gemeente Tytjerksteradiel kwamen in het verleden diverse spoorweg-ongevallen voor. We moeten hierbij denken aan:
verkeer, dat de spoorbaan kruist;
dieren op het spoor;
ontsporing van locomotief en/of wagons;
mensen op het spoor.

Als we de kranten er vanaf 1839 op nalezen, merken we dat de trein nog niet echt bij het dagelijkse straatbeeld hoort. Met name de snelheid ervan wordt regelmatig onderschat. Men denkt nog wel even voor de trein langs het spoor over te kunnen steken en regelmatig is sprake van spelende kinderen op de spoorbaan, niet zelden van spoorwegpersoneel.

De spoorlijn door de gemeente wordt in 1866 in gebruik genomen. Bijna 30 jaar ervaring elders in Nederland leert ons dat er op het spoor vrijwel dagelijks ongevallen voorkomen. Heel vaak betreft het ontsporingen met uitsluitend materiële schade als gevolg. Ontsporing vinden plaats door de slechte toestand van de spoorweg, door defecten aan wagons of locomotief of omdat de wisselwachter de wissel al omgooit, terwijl de laatste wagons de wissel nog moeten passeren. Tot veel vertragingen leiden deze ontsporingen vaak niet, dit in tegenstelling tot tegenwoordig. 
Over de ernstige treinongevallen wordt uitvoerig in de krant bericht gedaan. Zo vond er in augustus 1856 een zwaar treinongeluk plaats tussen Schiedam en Delfshaven. De schade wordt nauwkeurig beschreven. De namen, beroepen en woonplaatsen van de gewonden worden vermeld, evenals hun verwondingen: 

J.P. de Heer, 23 jaren, timmerman, geboren en wonende te ’s Hage, werkzaam te Hellevoetsluis, wiens ene arm nog in de afgelopen nacht is geamputeerd;
de heer J. Molenaar, 35 jaren ,timmerman, geboren te Woerden, wonende te Hellevoetsluis, gekwetst aan hoofd en rug; 
de heer N. Nieuwenhout, 28 jaren, biljardmaker, wonende te ’s Hage, gekwetst aan benen en hoofd;
mejuffrouw M. Verhagen, oud 45 jaren, geboren te Utrecht, dienstbode bij den heer de Bruijn alhier, wier ene been is gebroken.
De drie personen welke bij het inbrengen in het ziekenhuis reeds waren overleden zijn:
de heer H. van der Kolk, organist te Delft, wonende alhier, wiens ene arm en beide benen waren verbrijzeld;
de heer C. Geenemans, biljardmaker, geboren en wonende te ’s Hage, die vooral inwendig zwaar verwond was, en
de heer Steinhauer, van Amsterdam, die insgelijks inwendig zwaar was bezeerd.

Over het fenomeen 'zelfdoding' werd normaal bericht in de krant. In december 1875 werd tussen Hulshorst en Harderwijk een lijk van een soldaat gevonden. Het hoofd was van de romp gescheiden, zo meldt de krant. De ligging van het lijk is zodanig, dat aan zelfmoord word gedacht.

Van spoorwegpersoneel zou je verwachten dat ze de gevaren van het spoor kennen. Uit de hoeveelheid berichten over al dan niet dodelijke ongelukken van conducteurs, remmers, wisselwachters en overwegwachters kan worden vastgesteld, dat dit niet het geval was. Een dove wisselwachter nabij Rotterdam heeft in februari 1876 de laatste trein niet horen aankomen. Men vond hem de volgende ochtend dood tussen de rails. 
In maart 1877 viel bij Geldermalsen een conducteur van de trein, waarbij zijn beide benen werden verbrijzeld. In dezelfde maand vond nabij Zutphen een wisselwachter de dood. Hij raakte tijdens het rangeren onder een trein. Wat gebeurde er in Tytsjerksteradiel?