In 1933 richten de ANWB en de KNAC een verzoek aan de Staatsspoorwegen de spoorwegovergang te Veenwouden, die een breedte heeft van slechts 4 meter, te verbreden. Brede voertuigen kunnen elkaar amper passeren. Mede door het drukke verkeer ontstaan op de overweg gevaarlijke situaties. Daarnaast is er een tweede gevaar op de overgang. Dat wordt duidelijk als in 1937 de ANWB hiervoor aandacht vraagt. De (bewaakte) spoorwegovergang aldaar bevindt zich vlak bij een onbewaakte tramkruising, die niet als zodanig te herkennen is. De spoorlijn Leeuwarden-Groningen en de tramlijn Veenwouden-Burgum kruisen elkaar daar. Wat is het geval? Als de spoorbomen geopend zijn, verkeren de weggebruikers in de veronderstelling veilig door te kunnen rijden. Men slaat dan onvoldoende acht op de tram. Dit is ondervangen door de bepaling dat de tram voor de spoorlijn moet stoppen, waarna een beambte van de tram gedurende het passeren van de spoorlijn voor de tram uit moet lopen.

In 1939 komt het bericht dat de bewaakte spoorwegovergang te Tietjerk vervangen wordt door een automatische waarschuwingsinrichting. Daarnaast moeten maatregelen worden getroffen ter verbetering van het uitzicht op de spoorweg. De Tweede Wereldoorlog gooit roet in het eten. Als in 1951 de Halte Tietjerk ‘op afbraak’ te koop staat, blijkt dat het gebouwtje nog steeds gebruikt wordt voor de bediening van de overwegbomen. Pas in 1959 wordt de overweg onbewaakt, maar wel voorzien van een, zoals dat toen werd genoemd, flikkerlichtinstallatie.

Kruising van de trambaan met de spoorlijn bij Veenwouden. (klik op foto voor vergroting.

In 1954 wordt de bewaakte spoorwegovergang bij Hardegarijp voorzien van rode knipperlichten. Deze worden in werking gesteld nog voordat de spoorbomen sluiten. De maatregel wordt getroffen omdat automobilisten de gesloten spoorbomen niet zagen omdat ze verblind werden door het licht van wachtende tegenliggers of de zon.